9 oktober 2019

Feit en fictie over ‘de greep in de ABP-kas’

Op zaterdag 5 februari 2011 werd op het toenmalige Nederland 2 de Zembla-reportage ‘Het Verdwenen Pensioengeld’ uitgezonden. Daarin concludeerde Zembla dat de Nederlandse overheid in jaren tachtig en negentig bij pensioenfonds ABP ruim dertig miljard gulden ‘uit de kas had gehaald’. Pensioenroof, aldus Zembla. Helaas was dit een nogal tendentieuze voorstelling van zaken. Van het terugsluizen van grote bedragen door het ABP naar de overheid is geen sprake geweest. Wel is in die tijd jarenlang – door werkgevers EN werknemers – een relatief lage pensioenpremie betaald.

(FOTO: Onno Ruding, in de jaren 80 zeven jaar minister van Financiën.)

Van 1982 tot 1995 was het ABP onderdeel van de overheid. De premiestelling was in die periode de verantwoordelijkheid van de politiek en gebeurde door het uitvaardigen van tijdelijke wetten, de zogenaamde uitnamewetten. De hoogte van de pensioenpremie had dus jaarlijks telkens de instemming van de Tweede Kamer en werd buiten de verantwoordelijkheid van het ABP vastgesteld.

Dekkingsgraad veilig genoeg
Tussen 1982 en 1989 werd de premie in acht stappen verlaagd van 21 procent naar 8,3 procent. Hiervan betaalt de werkgever (= de overheid) twee derde deel; de ambtenaar een derde deel. De beweegredenen voor deze verlaging waren duidelijk: de kassen van de pensioenfondsen waren goed gevuld. In die tijd achtte men een dekkingsgraad van net boven de honderd procent veilig genoeg. Tegelijkertijd worstelde de overheid met een enorm financieringstekort en was het regeringsbeleid erop gericht de loonontwikkeling in toom te houden om de ernstig kwakkelende economie aan te zwengelen.

Door te koersen op een relatief lage pensioenpremie voor ambtenaren sloeg het kabinet twee vliegen in één klap: extra koopkrachtbehoud voor de ambtenaren in een tijd van loonmatiging en een flinke jaarlijkse besparing voor de overheid en dus een verlaging van het financieringstekort.

Geen juridische actie mogelijk
De ambtenarenbonden hadden moeite met de relatief lage premiestelling, aangezien er op die manier slechts in bescheiden mate financiële buffers werden opgebouwd op tegenvallers op te vangen. Ze deden uitgebreid onderzoek naar de juridische mogelijkheden om het premiebeleid van de overheid aan te vechten, maar die bleken zo goed als nihil. Omdat de premiestelling via wetgeving gebeurde, was daar juridisch praktisch niets tegen te ondernemen. Daar zijn destijds de nodige rapporten over uitgebracht, onder andere geschreven door een nog jonge Peter Gortzak [foto hierboven], later dagelijks bestuurder bij de NPB, bij ABVAKABO FNV en bij de FNV zelf.

‘Premieholidays’
Begin jaren negentig was het (tijdelijk) verlagen van pensioenpremies een veel voorkomende fenomeen. Het was het tijdperk van de zogenaamde premieholidays, vaak met goedkeuring van werkgevers en werknemers. Waarom namen die het risico van een relatief lage pensioenpremie en dus van het opbouwen van relatief magere buffers om toekomstige tegenvallers op te vangen? Verreweg de belangrijkste reden was de fiscale maatregel die in 1989 werd aangekondigd door Onno Ruding, de toenmalige minister van Financiën. Die liet weten dat hij een Wet brede herwaardering op stapel had staan, die bepaalde dat de reserves van pensioenfondsen boven een dekkingsgraad van 115 procent door de Belastingdienst zouden worden gevorderd voor de Rijksschatkist.

Deze aankondiging leidde ertoe dat de pensioenfondsen de neiging gingen vertonen om bij een gunstige ontwikkeling van de dekkingsgraad richting de 120 procent een premieverlaging door te voeren, aangezien het ‘overschot’ aan opgebouwd kapitaal anders toch maar naar de fiscus zou gaan. Wanneer de Wet brede herwaardering van kracht zou worden was onduidelijk. Om ongewenste last-minute-acties te voorkomen wordt dat soort fiscale wetten meestal van de ene dag op de andere ingevoerd. Uiteindelijk heeft het wetsontwerp jaren boven de markt gehangen. Uiteindelijk is het in 2006 ingetrokken zonder ooit in de Tweede Kamer in stemming te zijn gebracht.

Privatisering ABP
Terug naar het ABP: overheidsbonden zijn in de regel tegen privatisering, maar er is één privatisering die ze altijd erg hebben nagestreefd en dat was die van het ABP. Daardoor zouden ze namelijk eindelijk invloed krijgen op het premiebeleid. In 1994 besloten de overheidsbonden na een brede ledenraadpleging het financiële tekort dat door toedoen van de overheid was ontstaan voor lief te nemen in ruil voor de privatisering van het ABP. Volgens een rapport van de Algemene Rekenkamer uit 1992 was het misgelopen kapitaal inmiddels opgelopen tot dertig miljard gulden: dat was dan kennelijk de prijs die betaald moest worden om de overheid met de gewenste privatisering te laten instemmen. Die overeenkomst is vervolgens bezegeld in wetgeving, met opnieuw het grote voordeel voor de overheid dat de zaak juridisch niet aanvechtbaar was.

Voor alle duidelijkheid: bij de privatisering van ABP per 1 januari 1996 was er ruimschoots voldoende geld in kas – een dekkingsgraad van 110 procent – om aan de opgebouwde pensioenrechten van de deelnemers te kunnen voldoen. Bovendien heeft de overheid nog een paar jaar meebetaald aan het kunstmatig laag houden van de premie die nodig was om de overgang van een overslagstelsel (VUT) naar een kapitaalspaarstelsel (FPU) te financieren. Al met al hebben de werknemers zelf dus ook jarenlang (koopkracht)profijt gehad van de relatief laag gehouden premies.

Kostendekkende premie wettelijk verplicht
Zembla kwam tot de conclusie dat de pensioenreserves zijn uitgehold doordat in het verleden te weinig pensioenpremie is betaald. Peter Gortzak: ‘Daar hadden ze dus gelijk in, maar dat is wijsheid achteraf. Werkgevers en werknemers hebben daar lering uit getrokken en onder andere afgesproken dat de premie voortaan altijd kostendekkend moest zijn – dat wil zeggen: hoog genoeg om aan vier soorten kapitaaleisen te voldoen die samen de opbouw van redelijk stevige buffers garanderen. Sinds de Pensioenwet van 1 januari 2007 zijn pensioenfondsen wettelijk verplicht een dergelijke kostendekkende premie te vragen.’

Is het mogelijk het niet-opgebouwde kapitaal terug te vorderen? Gortzak: ‘Nee, dat krijg je nooit meer terug. Zoals gezegd: als het gevoerde premiebeleid juridisch aanvechtbaar was, dan hadden we dat destijds al gedaan. Ten tweede hebben de werknemers ook jarenlang voordeel gehad van de relatief lage premies door een hoger nettoloon. En tot slot weten we allemaal dat de overheid niet zomaar ergens tientallen miljarden op een plankje heeft liggen die ze hiervoor ter beschikking kan stellen.’

[OORSPRONKELIJKE PUBLICATIE: NPB-bondsblad de Politie maart 2011]