3 juli 2020

NPB steunt nieuwe spelregels werknemerspensioen

De Nederlandse Politiebond kan zich vinden in de uitwerking van het pensioenakkoord waarmee een ruime meerderheid van het FNV Ledenparlement op zaterdag 4 juli heeft ingestemd. ‘Er is nog veel werk aan de winkel,’ zegt NPB-voorzitter Jan Struijs, ‘Maar hierdoor kunnen we een pensioenvoorziening behouden die gebaseerd is op solidariteit, met als groot pluspunt meer mogelijkheden om de koopkracht en stabiliteit van de uitkeringen te waarborgen en pech- en gelukgeneraties te voorkomen.’

De nieuwe spelregels zijn een uitwerking van de principe-afspraken over de vernieuwing van het pensioenstelsel in het landelijk pensioenakkoord van 5 juni vorig jaar.

Het dagelijks bestuur van de NPB en ook de vertegenwoordigers van de NPB-leden in het FNV Ledenparlement (Hans Beurskens en Karl Verlaan) vinden dat het resultaat voldoet aan de vooraf geformuleerde doelen. De nieuwe afspraken met de werkgevers en de overheid bieden in hun ogen een realistische blauwdruk voor een collectief, solidair, betrouwbaar en transparant werknemerspensioen in de 21-ste eeuw, waarbij voor de bonden een actieve rol is weggelegd als bewaker van een zorgvuldige uitvoering.

Op vrijdag 4 juli stemt het Ledenparlement van de FNV – de grootste vakbondskoepel van Nederland, waarbij ook de NPB aangesloten is – over het bereikte onderhandelingsresultaat.

Buffereisen
De belangrijkste vernieuwing waarover de bonden, de werkgevers en de politiek het eens zijn geworden zijn is een regelmatige inflatiecorrectie mogelijk maken door het loslaten van de buffereisen voor de pensioenfondsen. De huidige spelregels schrijven voor dat een fonds voldoende kapitaal (bezittingen) achter de hand moet hebben om alle deelnemers hun pensioenen te kunnen betalen PLUS nog een flinke buffer (ruim een kwart extra). Pas bij een ‘dekkingsgraad’ van 128 procent mogen de fondsen ertoe overgaan om geld te steken in het verhogen van de pensioenen om de prijsstijgingen volledig te compenseren (indexeren).

Geen inflatiecorrectie
De afgelopen tien jaar hebben de pensioenfondsen grote moeite gehad om zelfs de vereiste buffers te halen om de pensioenen gedeeltelijk te mogen indexeren (dekkingsgraad van 110 procent). Dat kwam mede doordat ze wettelijk verplicht waren bij het waarderen van hun bezittingen een om politieke redenen kunstmatig laag gehouden ‘rekenrente’ te hanteren. Het gevolg is dat de werknemerspensioenen in Nederland al een decennium niet verhoogd zijn om de inflatie te corrigeren en daardoor inmiddels 15 tot 20 procent aan koopkracht hebben ingeboet.

Koopkrachtbehoud
In de nieuwe spelregels komen de fenomenen dekkingsgraad en rekenrente niet meer voor. Pensioenfondsen krijgen de ruimte om behaalde rendementen eerder te gebruiken om de koopkracht van de pensioen op peil te houden. Daar staat tegenover dat (zwaar) tegenvallende rendementen ook eerder tot kortingen leiden. Dat is onvermijdelijk de andere kant van de medaille als je geen buffers aanhoudt. Als schokdemper is echter de nieuwe spelregel bedacht dat zowel verhogingen als verlagingen telkens in stukjes worden gehakt en in de loop van meerdere jaren worden toegekend. Hierdoor kunnen plussen en minnen elkaar dempen.

Afgaande op berekeningen van het Centraal Planbureau zullen de nieuwe spelregels vaker tot verhogingen leiden dan tot verlagingen. In combinatie met het uitsmeren van beide ingrepen over meerdere jaren is dan een stijgende lijn te verwachten in de uitgekeerde bedragen.

Schijnzekerheid
Een andere belangrijke vernieuwing is het schrappen van de spelregel dat deelnemers aan een pensioenfonds door het inleggen van hun premie een ‘waardevaste aanspraak’ opbouwen op een duidelijk omschreven pensioenuitkering. Deze dwingende formulering is uiteraard ooit bedoeld geweest om de deelnemers zoveel mogelijk zekerheid te bieden. In de 21-ste eeuw levert zij slechts schijnzekerheid en daardoor (onnodige) onrust op.

Pech- en gelukgeneraties
De afgelopen twintig jaar hebben aangetoond dat de pensioenfondsen uitstekende rendementen weten te behalen op de ingelegde premies. Tegelijkertijd konden de deelnemers daar door een te rigide bufferbeleid niet van profiteren, waardoor met name de huidige gepensioneerden een pechgeneratie zijn geworden. Zij krijgen netjes het beloofde bedrag uitbetaald, maar dat vertegenwoordigt veel minder koopkracht dan voorheen.

Solidariteitsreserve
De nieuwe spelregels zijn onder andere bedoeld om dit soort ongewenste verschillen tussen generaties te voorkomen. Alleen op die manier zal een op solidariteit gebaseerd werknemerspensioen kunnen blijven bestaan. Vandaar dat ook de bonden hebben ingestemd met het loslaten van de schijnzekerheid van een ‘waardevaste’ aanspraak in ruil voor meer mogelijkheden om behaalde rendementen eerder te gebruiken om de waarde van de individuele pensioenvermogens op peil te houden, indien nodig door een extra toebedeling aan bepaalde (leeftijds)groepen binnen de deelnemers. Voor dit soort ingrepen wordt een speciale solidariteitsreserve aangelegd. Afgesproken is dat daarvoor een deel van de pensioenpremies (maximaal tien procent) en van de beleggingsrendementen gebruikt wordt.

Geen bezuiniging
Voor alle duidelijkheid: het collectief opbouwen van werknemerspensioenen is financieel alleen mogelijk doordat de overheid ermee instemt dat de pensioenpremies belastingvrij worden ingelegd. Belangrijk uitgangspunt van de nieuwe spelregels is dat er niet bezuinigd wordt op het werknemerspensioen. Concreet wil dat zeggen dat de overheid zijn fiscale medewerking blijft verlenen aan het opbouwen van een maandelijkse uitkering van 80 procent van het gemiddelde verdiende loon (middelloon) in 42 deelnemersjaren. (Voor alle duidelijkheid: de overheid bedoelt dan een uitkering van 80 procent inclusief de maandelijkse AOW-uitkering. Dat (geschatte) bedrag hoeven de pensioenfondsen dus niet op te bouwen.)

In hoeverre het benutten van deze fiscale ruimte na 42 jaar daadwerkelijk een pensioenuitkering van 80 procent met koopkrachtbehoud oplevert hangt af van de beleggingsrendementen van de pensioenfondsen af (tot nu toe geen probleem) in combinatie met regelmatige algehele of groepsgewijze opwaarderingsoperaties, aangestuurd door de bonden en de werkgevers (mogelijk gemaakt door de nieuwe spelregels).

Casinopensioen?
Is hierdoor overgestapt op een ‘casinopensioen’? Nee, als je met die term bedoelt dat de betaalbaarheid van het werknemerspensioen erg afhankelijk is van beleggingsredendementen, dan hebben we nooit anders gehad dan een casinopensioen. Er is nu echter een duidelijke keuze gemaakt voor andere prioriteiten bij het benutten van (een deel van) het gerealiseerde rendement.

Nog wel doorsnee-premie
Een grote wens van de werkgevers was meer duidelijkheid en stabiliteit op premiegebied. Afgesproken is dat deelnemers (net als nu) allemaal hetzelfde percentage aan premie blijven betalen (doorsnee-premie). Bij de politie is dat nu 24,9 procent van het pensioengevend salaris. Van dit bedrag betaalt de werknemer 30 procent en het korps 70 procent. (Het pensioengevend salaris bestaat uit twaalf keer je brutosalaris in januari inclusief vakantiegeld, eindejaarsuitkering, vaste toelagen en de vorig jaar uitbetaalde variabele toelagen.)

Niet langer doorsnee-opbouw
Wel komt er een eind aan de spelregel dat jongeren en ouderen voor hun betaalde premie jaarlijks hetzelfde percentage pensioenopbouw toegekend krijgen. Deze doorsnee-systematiek was niet zo’n probleem in de tijd dat de meeste mensen hun hele leven bij dezelfde baas bleven werken. Maar in feite is een euro die een jongere bij een pensioenfonds inlegt uiteindelijk veel meer pensioenvermogen waard dan een euro die een oudere inlegt. De euro van die jongere heeft namelijk veel langer de tijd om financieel rendement op te leveren – dat vervolgens opnieuw kan worden belegd voor nog meer rendement et cetera.

Het hanteren van een doorsnee-opbouw wringt met de dynamiek van de huidige arbeidsmarkt. Anno 2020 veranderen deelnemers vaker van baan of gaan uit loondienst en werken als zelfstandige. In dat geval grijpen ze dus naast een relatief groot deel van het rendement dat het pensioenfonds in de loop der jaren kan blijven boeken op basis van hun inleg. Daardoor wordt de huidige doorsnee-opbouw niet meer als eerlijk ervaren.

Dit systeem wordt dan ook losgelaten. Voortaan wordt het percentage dat je in een jaar aan pensioen opbouwt bepaald door het aantal jaren dat je ingelegde premie nog rendement kan opbrengen. Het gevolg is dat je als jongere het meeste werknemerspensioen opbouwt en die opbouw vermindert naarmate je ouder wordt.

Compensatie 35-plussers
Het loslaten van de doorsnee-opbouw vereist extra aandacht voor de pensioenopbouw van 35-plussers. Die krijgen straks voor hun jaarlijkse inleg dus minder pensioenopbouw terug en komen daardoor aan het eind van de rit pensioenvermogen tekort. Door de huidige rentestand van bijna nul vallen de kosten om daar bijtijds een mouw aan te passen erg mee – en de verwachting is dat de rentestand voorlopig niet omhoog zal schieten. Daarnaast bieden de nieuwe spelregels voor het omgaan met beleggingsrendementen de bonden en werkgevers ook nieuwe mogelijkheden om door gerichte toebedelingen de vermogenspositie van deze groep deelnemers te verbeteren.

Zorgvuldige overgang
Meer in het algemeen zijn er de nodige afspraken gemaakt om te zorgen dat de overgang naar het nieuwe systeem voor alle belanghebbenden op een zorgvuldige en evenwichtige manier plaatsvindt. Er komt sowieso een wettelijk transitiekader dat voorschrijft en richting geeft aan wat partijen in acht moeten nemen bij de overstap op een nieuwe pensioenregeling. En in alle gevallen moet de werkgever in samenspraak met vakbonden via een transitieplan in beeld brengen welk concreet effect de overstap heeft voor het pensioen van deelnemers met verschillende leeftijden en welke maatregelen worden genomen om nadelige effecten voor bepaalde groepen te compenseren.

Uit berekeningen van het Centraal Planbureau en dertien pensioenfondsen blijkt dat de overgang naar de nieuwe spelregels – gegeven de huidige omstandigheden – in veel gevallen geen nadeel maar een voordeel voor de pensioenopbouw oplevert. Afgesproken is dat geconstateerde nadelen adequaat en kostenneutraal worden gecompenseerd. Dat vergt wel maatwerk per uitvoerder.

NPB-oordeel
Al met al steunt de NPB de praktische uitwerking van de principe-afspraken. NPB-voorzitter Jan Struijs: ‘Op basis van deze nieuwe spelregels is het mogelijk om over te gaan naar een nieuw collectief pensioenstelsel dat nog steeds is geschoeid op solidariteit. Daarbij is het principiële uitgangspunt dat de rendementen en de solidariteitsreserve zo moeten worden verdeeld dat pech- en gelukgeneraties worden voorkomen. Iets dat met de huidige spelregels helaas ondoenlijk is gebleken.’

Struijs: ‘De bonden blijven ook bij de verdere uitwerking aan tafel zitten. Dat geeft ons het vertrouwen dat de zorgvuldigheid goed bewaakt wordt. Duiken er onderweg knelpunten voor bepaalde groepen werknemers op, dan zullen die in het overleg tussen de werkgevers en de bonden opgelost moeten worden.’

-------------------------------

Meer weten over de oude en nieuwe spelregels bij het collectief opbouwen van een werknemerspensioen? Kijk bij onze VEELGESTELDE VRAGEN.

Meer over:
Pensioen