29 april 2019

Korps schoffeert praktijkdocenten

De Nationale Politie heeft geen gehoor gegeven aan een dringende aanbeveling van de Centrale Raad van Beroep om een langlopend beloningsconflict met operationeel begeleiders buiten de rechtszaal op te lossen. ‘Een gemiste kans lijkt mij,’ zegt NPB-advocaat Hans Dammingh. ‘De Raad gaf als argument het belang van goede arbeidsverhoudingen. Het korps lijkt daar aanzienlijk minder waarde aan te hechten.’

Waar draait het om in deze door de NPB aangespannen rechtszaak? De kerntaak van een operationeel begeleider is het geven van onderwijs (training, coaching) aan uitvoerende collega’s tijdens hun politiewerk in de openbare ruimte. Dat varieert van het begeleiden van politiestudenten tijdens hun praktijkperioden in het korps tot bijvoorbeeld het opnieuw op weg helpen van collega’s die in diensttijd verkeerstrauma’s hebben opgelopen.

Praktijkdocent/begeleider
Deze opleidingstaak heeft uiteraard altijd bestaan binnen de Nederlandse politie, ook in het tijdperk van de 26 autonome regiokorpsen, dat wil zeggen: tussen 1993 en 2012. Toen was de landelijke naam operationeel begeleider echter nog niet bedacht en werd de functie meestal aangeduid als praktijkbegeleider of praktijkdocent. Hoe de functie werd beloond hing af van het regiokorps waarbij je in dienst was. Door de grote vrijheid die de regiokorpsen hadden om hun eigen personeelsbeleid te voeren ontstond in twintig jaar een wildgroei van duizenden functies, met allerlei mengvormen van uitvoerende (executieve) en ondersteunende functies (administratief-technisch-huishoudelijk, kortweg ATH).

Nieuw functiegebouw
De invoering van een nieuw Landelijk Functiegebouw Nationale Politie (LFNP) met slechts 92 functies moest zorgen voor landelijke rechtsgelijkheid en meer centrale regie. Voor nieuwe instromers was de toekenning van de nieuwe LFNP-functies niet zo moeilijk, maar hoe moest dat aangepakt worden voor de zittende medewerkers? Besloten werd dat zij zouden overgaan naar de LNFP-functie die het meest overeenkwam met hun toenmalige takenpakket. Helaas bleek het vinden van een bevredigende ‘match’ op dit punt in heel veel gevallen nogal problematisch – ook in het geval van de praktijkdocenten/begeleiders.

Ondersteunende functie
De invoering van het LFNP werd officieel op 8 mei 2013, met terugwerkende kracht tot 1 januari 2012. Bij de landelijke matchingsoperatie kwam voor praktijkdocenten/begeleiders de LFNP-functie Docent A uit de bus, behorend tot het functiedomein Ondersteuning. Dat laatste schoot deze collega’s in het verkeerde keelgat – en terecht. Kennelijk hadden de ontwerpers van het nieuwe functiegebouw zich onvoldoende gerealiseerd in welke omstandigheden dit soort medewerkers als trainer en coach actief zijn. Dat gebeurt als onderdeel van de uitvoering van de politietaak: ze bevinden zich dan in de openbare ruimte en zijn zelf ook geüniformeerd en bewapend, met alle risico’s en verplichtingen van dien (ook zelf actief ingrijpen als dat vereist is). Hun functie moet dan ook worden gezien als een speciaal soort operationele functie en had om die reden ingebouwd moeten worden in het functiedomein Uitvoering.

Nieuwe LFNP-functies
Al snel na de start van de Nationale Politie – in najaar 2014 – nam de Politieacademie het initiatief om die weeffout gecorrigeerd te krijgen. Zij pleitte bij de toenmalige minister van Veiligheid en Justitie voor uitbreiding van het LFNP-functiedomein Uitvoering met de functie operationeel begeleider. Op een gegeven moment werd daartoe inderdaad besloten, maar de invoering werd uitgesteld tot na de personele reorganisatie binnen het korps in 2016. Pas op 24 april 2017 meldde de Staatscourant dat het LFNP met terugwerkende kracht tot 7 juli 2016 werd uitgebouwd met twee uitvoerende functies (operationeel begeleider A en B).

OVW-periodieken
Op dat moment werkten de voormalige praktijkdocenten/begeleiders al meer dan vijf jaar officieel in de ondersteunende LFNP-functie Docent A (toegekend in december 2013, met terugwerkende kracht tot 1 januari 2012). Een ondersteunende functie dus, terwijl ze in de praktijk op verzoek van de werkgever gewoon hetzelfde uitvoerende werk waren blijven doen. Een situatie waar ze geen vrede mee hadden, vooral niet omdat de bonden en de werkgever in de tussentijd een extra toelage hadden afgesproken voor medewerkers met een uitvoerende LFNP-functie waaraan minstens 24 OVW-punten waren toegekend (OVW = Onvermijdelijk Verzwarende Werkomstandigheden). Vanaf 2012 kregen deze collega’s aanspraak op OVW-uitloopperiodieken in de eerstvolgende hogere schaal als ze op het maximum salarisbedrag in hun officiële functieschaal waren aangekomen.

OVW-aanspraak
Sinds de invoering van de nieuwe LFNP-functies operationeel begeleider A en B in 2017 (met terugwerkende kracht tot 7 juli 2016) zijn de nodige Docenten A in die functies geplaatst. Daardoor kregen ze in ieder geval aanspraak op OVW-uitloopperiodieken. Maar één vraag bleef alsnog onbeantwoord, een vraag die nu door toedoen van de NPB aan de Centrale Raad van Beroep is voorgelegd: vanaf welk moment zou die aanspraak moeten gelden?

Volgens de werkgever (het korps) is het volkomen redelijk dat de OVW-aanspraak pas geldt vanaf het moment dat medewerkers geplaatst zijn in de nieuwe uitvoerende LFNP-functie operationeel begeleider. Daarvoor hadden ze immers een ondersteunende LNFP-functie (Docent A) en daardoor sowieso geen aanspraak op OVW-uitloopperiodieken.

Volgens NPB-advocaat Hans Dammingh moet de werkgever de verantwoordelijkheid nemen voor zijn keuze om medewerkers vanaf 2012 officieel een ondersteunende functie toe te kennen (Docent A), maar hen ondertussen een operationeel takenpakket te laten uitvoeren dat pas in 2017 zou worden benoemd als de functie operationeel begeleider. Concreet roept hij het korps op deze medewerkers met terugwerkende kracht tot 1 januari 2012 te plaatsen in die nieuwe LNFP-functie, zodat ze ook vanaf die datum aanspraak krijgen op OVW-periodieken. Dat zou redelijk en rechtvaardig zijn, aangezien deze collega’s op verzoek van de werkgever al die jaren hetzelfde (uitvoerende) werk zijn blijven doen.

Rechtbank Gelderland
De Rechtbank Gelderland oordeelde in november vorig jaar dat de werkgever bij de toekenning van de ondersteunende LFNP-functie Docent A aan voormalige praktijkdocenten/begeleiders juridisch geen onzorgvuldigheid kon worden verweten. Hij volgde daarbij het oordeel van de Centrale Raad van Beroep uit 2015, die zwaar had laten meewegen dat de aanpak van de invoering van het LFNP (inclusief de matchingsoperatie) door de werkgever en de bonden stap voor stap was afgetimmerd in het CGOP – het hoogste overlegorgaan op arbeidsvoorwaardengebied binnen de politiesector.

De Rechtbank verwierp de stelling dat het korps door het achteraf toevoegen van de functie operationeel begeleider had erkend dat in de eerste versie van het LFNP een weeffout had gezeten. Hij beschouwde deze aanpassing als een voorbeeld van het met de bonden afgesproken ‘dynamisch onderhoud’ van het functiegebouw.

OVW-aanspraak vanaf 2014
Wat betreft de toekenning van OVW-aanspraken werd de NPB deels in het gelijk gesteld. De Rechtbank vond dat individuele medewerkers niet de dupe mochten worden van de keuze van de werkgever om de invoering van functie operationeel begeleider uit te stellen tot na de personele reorganisatie. In zijn ogen zou het dan ook redelijk zijn om bij plaatsingen in deze functie ruimhartig een OVW-aanspraak toe te kennen vanaf bijvoorbeeld 23 september 2014 – de datum waarop de Politieacademie zijn verzoek om aanpassing van het LFNP bij de minister indiende.

Hoger beroep
De NPB is tegen de uitspraak van de Rechtbank Gelderland in hoger beroep gegaan. ‘Wij blijven het standpunt verdedigen dat deze collega’s vanaf 2012 recht hebben op de waardering die hoort bij de functie operationeel begeleider – inclusief de OVW-uitloopperiodieken,’ verduidelijkt NPB-advocaat Hans Dammingh. ‘Willens en wetens heeft de werkgever deze medewerkers jarenlang werk op straat laten doen dat wezenlijk afweek van de ondersteunende LFNP-functie die ze in 2013 formeel toegekend kregen – met terugwerkende kracht tot 2012. In feite zijn ze dus sinds 2012 onderbetaald. Er staat gewoon nog een rekening open.’

Oproep Centrale Raad
Tijdens de drukbezochte zitting op 22 maart riep de Centrale Raad van Beroep het korps op vooral nog een poging te doen om deze kwestie buiten de rechtszaal op te lossen. Drie weken later maakte de werkgever op dinsdag 9 april duidelijk daar niets voor te voelen. ‘Ik betreur dat bijzonder,’ verzucht Dammingh. ‘Het was geen alledaagse oproep, waarin de Raad uitdrukkelijk verwees naar het belang van goede verhoudingen op de werkvloer. Niet zo raar misschien, nadat je drie uur hebt zitten luisteren naar loyale werknemers die met een groot gevoel van onrecht in hun maag zitten. Maar helaas heeft het korps kennelijk minder goed geluisterd en besloten dit verstandige advies in de wind te slaan.’

Vorige week is duidelijk geworden dat de definitieve uitspraak van de Raad niet langer op vrijdag 3 mei te verwachten is, zoals eerder aangekondigd. De Raad heeft namelijk besloten het onderzoek naar de zaak te heropenen. De redenen daarvoor zijn nog niet bekend en ook niet of dit betekent dat er nog een rechtszitting plaatsvinden. 

Volg het laatste nieuws over deze zaak op onze website/via onze app!

Meer over:
Reorganisatie