Welke nieuwe spelregels zijn bedacht om het collectief opbouwen van werknemerspensioen te verbeteren?

De belangrijkste vernieuwing waarover de bonden, de werkgevers en de politiek het eens zijn geworden zijn is een regelmatige inflatiecorrectie mogelijk maken door het loslaten van de buffereisen voor de pensioenfondsen.

Andere buffereisen
In eerste instantie was het idee dat in de Pensioenwet zou worden vastgelegd dat een dekkingsgraad van 100 procent voortaan het kantelpunt werd. Zolang pensioenfondsen genoeg bezittingen hadden om aan al hun huidige en toekomstige uitkeringsverplichtingen te voldoen (= dekkingsgraad van 100 procent) zouden ze hun overige kapitaalreserves mogen gebruiken voor inflatiecorrectie en dus koopkrachtbehoud.

Daar zou dan tegenover staan dat pensioenfondsen ook eerder tot kortingen moesten overgaan als de dekkingsgraad onder de 100 procent zakte. Die kortingen zouden echter kleiner worden, want een belangrijke aanvullende afspraak was dat het verrekenen van mee- en tegenvallers op beleggingsgebied voortaan zouden worden uitgesmeerd over tien jaar – en daardoor voor een deel tegen elkaar weggestreept kunnen worden.

Geen buffereisen meer
Tijdens het technisch uitwerken van deze afspraken kwamen de onderhandelaars het afgelopen jaar echter tot de conclusie dat ook minder strenge buffereisen bij alle partijen voor onrust en onzekerheid zouden blijven zorgen. De enige manier om rust in de tent te brengen was eigenlijk helemaal afzien van buffereisen.

Tegelijkertijd zou dan afscheid moeten worden genomen van de spelregel dat deelnemers aan een pensioenfonds door het inleggen van hun premie een ‘waardevaste aanspraak’ opbouwen op een duidelijk omschreven pensioenuitkering. Deze dwingende formulering is uiteraard ooit bedoeld geweest om de deelnemers zoveel mogelijk zekerheid te bieden. In de 21-ste eeuw levert zij slechts schijnzekerheid en (onnodige) onrust op.

De afgelopen twintig jaar hebben aangetoond dat de pensioenfondsen uitstekende rendementen weten te behalen op de ingelegde premies. Inmiddels hebben ze samen bezittingen ter waarde van 1.500 miljard opgebouwd. Tegelijkertijd konden de deelnemers daar door een te rigide bufferbeleid niet van profiteren, waardoor met name de huidige gepensioneerden een pechgeneratie zijn geworden. Zij krijgen netjes het beloofde bedrag uitbetaald, maar dat vertegenwoordigt veel minder koopkracht dan voorheen.

Uit het keurslijf
Dit heeft de onderhandelaars van de bonden, de werkgevers en de overheid doen besluiten de spelregels op buffergebied te vervangen door spelregels voor het verdelen van het behaalde rendement. Afgesproken werd het keurslijf van de dekkingsgraad en de rekenrente uit te trekken en de schijnzekerheid van een ‘waardevaste’ aanspraak los te laten. In ruil daarvoor krijgen de bonden en de werkgevers meer mogelijkheden om behaalde rendementen eerder te gebruiken om de waarde van de individuele pensioenvermogens op peil te houden, indien nodig door een extra toebedeling aan bepaalde (leeftijds)groepen binnen de deelnemers.

• Nieuwe rendementen op beleggingen hoeven niet meer gebruikt te worden om financiële buffers aan te leggen voor noodgevallen. Dit betekent dat een deel daarvan eerder kan worden toegevoegd aan het pensioenvermogen van de deelnemers – zowel de nog actieven als de gepensioneerden. Het rendement (de plussen maar ook de minnen) wordt zo verdeeld dat het (verwachte) pensioen van iedereen ongeveer hetzelfde stijgt of daalt.

• Mee- en tegenvallers op beleggingsgebied hebben sneller effect op de pensioenen, maar wel uitgesmeerd over meerdere jaren. Daardoor voorkom je grote schokken en veert de pensioenopbouw als het ware mee met de schommelingen in de beleggingsresultaten.
In de praktijk zullen kortingen en inflatiecorrecties dus tegelijkertijd plaatsvinden, gedeeltelijk tegen elkaar weggestreept kunnen worden en dus meer stabiliteit in de pensioenopbouw en de pensioenuitkeringen opleveren.

Afgaande op berekeningen van het Centraal Planbureau (CPB) zullen de nieuwe spelregels vaker tot verhogingen leiden dan tot verlagingen. In combinatie met het uitsmeren van beide ingrepen over meerdere jaren valt dan een stijgende lijn te verwachten in de uitgekeerde bedragen.

• Bij oudere deelnemers worden schommelingen in de opbouw van het pensioenvermogen beperkt door deze opbouw vooral te koppelen aan relatief ‘veilige’ beleggingen (aandelen in plaats van obligaties bijvoorbeeld).

• Een deel van de pensioenpremies (maximaal tien procent) en de beleggingsrendementen worden gebruikt voor het aanleggen van een collectieve solidariteitsreserve. Dit vermogen kan worden ingezet om te verdelen over generaties/leeftijdsgroepen die in de opbouw van hun werknemerspensioen onevenredig benadeeld zijn. Deze extra vorm van solidariteit leidt – gemiddeld genomen – tot een beter pensioenresultaat voor alle deelnemers in een pensioenfonds (welvaartswinst).