Bondsraad NPB buigt zich over aanpassingen ABP-pensioenregeling

Moet de NPB instemmen met de aanpassingen van de ABP-pensioenregeling waarover de onderhandelaars van het pensioenfonds, de overheidswerkgevers en de ambtenarenbonden op 6 juli een akkoord hebben bereikt? Komende week zal die knoop worden doorgehakt door de vertegenwoordigers van de NPB-leden in de bondsraad. NPB-voorzitter Jan Struijs: ‘En dat zal knarsetandend gebeuren, want iedereen weet dat de afgesproken aanpassingen voor een groot deel het gevolg zijn van politieke druk, uitgeoefend via fiscale dwangmaatregelen.’

NPB Oost-Nederland steunt collega's tijdens de Vierdaagse

Zoals bekend is in 2012 het politieke besluit genomen om de startleeftijd van de Nederlandse pensioenen te koppelen aan de levensverwachting. Met andere woorden: hoe ouder de Nederlanders gemiddeld worden, hoe hoger de leeftijd waarop ze met werken kunnen stoppen op basis van hun ouderdomspensioen van de overheid (AOW) en hun werkgerelateerde aanvullende pensioen op basis van een collectieve pensioenregeling. 

Zware beroepen

NPB-voorzitter Jan Struijs: ‘Alle Nederlandse vakbonden – ook de NPB – hebben zich jarenlang luid en duidelijk verzet tegen de manier waarop de politiek deze historische verandering wilde aanpakken en uiteindelijk ook heeft doorgezet. De grootste vakcentrale van Nederland, de FNV – waarbij ook de NPB is aangesloten – heeft onder leiding van toenmalig voorzitter Agnes Jongerius elke kans benut om de politiek ervan te overtuigen dat het loslaten van 65 jaar als vaste pensioenleeftijd gepaard moest gaan met een fatsoenlijke regeling voor mensen met zware beroepen. Ook hamerde ze voortdurend op het belang van een behoorlijke overgangstermijn (Jongerius bepleitte in 2011 invoering vanaf 2020).

Terugdringen overheidstekort

Het mocht niet baten: de politiek gaf de afgelopen tien jaar voorrang aan het terugdringen van het overheidstekort. Dat was volgens premier Rutte een noodzakelijke voorwaarde om Nederland ‘uit de crisis te brengen’. Het ‘versoberen’ van de pensioenvoorzieningen kon daaraan op twee manieren bijdragen. Het razendsnel verhogen van de AOW-leeftijd leidde er simpelweg toe dat de overheid daaraan minder belastinggeld hoefde uit te geven. Maar ook bij het aanvullende pensioen op basis van collectieve pensioenregelingen viel geld te halen.

Belastingvrijstelling

Collectieve pensioenregelingen zijn afspraken tussen een pensioenfonds en de sociale partners (werkgevers en werknemers) in een bepaalde beroepssector. Struijs: ‘Over die afspraken heeft de politiek in principe niets te zeggen, maar het is helaas wel zo dat het opbouwen van voldoende pensioenkapitaal praktisch onhaalbaar is zonder belastingvrijstelling van het premiegeld. Zoals bekend betalen werkgevers en werknemers maandelijks een premiebedrag aan een pensioenfonds, dat dat geld vervolgens jarenlang zo goed mogelijk rendement laat opleveren door het uit te lenen, te beleggen, te investeren et cetera. Het inleggen van voldoende pensioenpremie zou voor de werkgever en de werknemer onbetaalbaar worden als ze over die premie meteen belasting moesten afdragen.’

Fiscaal machtsmiddel

De Nederlandse overheid maakt collectieve pensioenregelingen dus mogelijk door toe te staan dat pensioenpremies rechtstreeks uit het brutoloon worden betaald en de fiscus pas aan bod komt bij uitbetaling van het opgebouwde pensioenkapitaal. Struijs: ‘Met andere woorden: een aanvullend pensioen is uitgesteld loon – opgewaardeerd door tussenkomst van het pensioenfonds. Maar door de noodzakelijke belastingvrijstelling van het inleggeld heeft de politiek wel een belangrijk machtsmiddel in handen om de inhoud van de collectieve pensioenregelingen naar zijn hand te zetten. Door het beperken van de belastingvrije ruimte kan de overheid pensioenfondsen dwingen hun regelingen aan te passen om fiscale overtredingen en de bijbehorende boetes te voorkomen.’

Pensioenpremie

Dat is precies wat de afgelopen jaren herhaaldelijk gebeurd is en waarom (ook) de ABP-pensioenregeling meerdere keren is aangepast (in de ogen van de bonden: verslechterd). Het doel van de overheid is daarbij steevast een premieverlaging, want dat heeft voor haar ‘huishoudboekje’ twee voordelen. Ten eerste is zij dan zelf als werkgever ook minder geld kwijt aan pensioenpremie. Ten tweede krijgt ze per ommegaande meer belastinggeld binnen, want bij een lagere premie kan over een hoger bedrag aan ambtenarensalaris loonbelasting worden geheven. (Volledigheidshalve: de pensioenpremie voor politieambtenaren wordt voor 70 procent betaald door de werkgever en voor 30 procent door de medewerkers zelf).

Pensioenrichtleeftijd

Het principebesluit om de startleeftijd van de Nederlandse pensioenen te koppelen aan de levensverwachting is sinds 2012 door de politiek uitgewerkt en vastgelegd in de wet, met name in de Algemene Ouderdomswet (AOw) en in de Wet op de Loonbelasting 1964. Artikel 18 van die laatste wet gaat over de zogenaamde pensioenrichtleeftijd. Struijs: ‘De pensioenrichtleeftijd is de startleeftijd die de overheid hanteert als uitgangspunt voor zijn fiscaal vriendelijke beleid ten opzichte van aanvullende pensioenen. Met andere woorden: als pensioenfondsen inzetten op een lagere startleeftijd worden ze daarvoor fiscaal ‘ontmoedigd’ door boetes. Dat is een kostbare zaak, dus in de regel zullen pensioenfondsen veranderingen van de pensioenrichtleeftijd (moeten) volgen.’

Levensverwachting

In de Wet op de Loonbelasting 1964 heeft het kabinet Rutte II precies vastgelegd wanneer de pensioenrichtleeftijd moet worden aangepast. Dat moet gebeuren op basis van het aantal jaren dat een gemiddelde Nederlander van 65 jaar over tien jaar naar verwachting nog te leven zal hebben volgens een schatting van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Op 31 oktober 2016 heeft het CBS dit cijfer voor het jaar 2028 gepubliceerd: de levensverwachting van een 65-jarige zal dan naar verwachting nog 21,31 jaar zijn. Met andere woorden: hij maakt dan kans om ruim 86 jaar te worden. Wat betekent dat voor de pensioenrichtleeftijd? Daarvoor is in de wet een formule vastgelegd. Toepassing daarvan levert het cijfer 1,05 op. Het gevolg is dat de pensioenrichtleeftijd per 1 januari 2018 ‘automatisch’ met een jaar (1,05 naar beneden afgerond) wordt verhoogd van 67 jaar naar 68 jaar.

Achttien pensioenjaren

Bekeken vanuit politiek perspectief is dit een maatregel om de overheidsuitgaven op pensioengebied in toom te houden. In de wetteksten wordt achttien pensioenjaren als uitgangspunt genomen – het gemiddelde aantal AOW/pensioenjaren in de periode 2000-2009. Het lijkt erop dat de politiek dat aantal eigenlijk wel welletjes vindt. Financiële ondersteuning van meer pensioenjaren door de overheid is niet nodig. Vandaar het streven om de startdatum van de pensioenen navenant te (blijven) verhogen als de levensverwachting toeneemt. Op die manier blijft het aantal door de overheid meegefinancierde pensioenjaren ongeveer achttien.   

Vakbondsstrijd gaat door!

Struijs: ‘Wat de NPB betreft is de verhoging van de pensioenrichtleeftijd naar 68 jaar onmiskenbaar een verslechtering van onze (aanvullende) pensioenregeling. Door deze ingreep hoeft er een jaar minder pensioenkapitaal voor de deelnemers klaar te staan, wat erop neerkomt dat de pensioenvoorziening zo’n zes procent in waarde daalt. Maar er is geen sprake van dat wij daarmee zouden hebben ingestemd of dat we een bestaand recht hebben ‘weggegeven’. Het is simpelweg een voldongen feit dat de wettelijke koppeling van de startleeftijd van de pensioenen aan de levensverwachting door een meerderheid in de Tweede en Eerste Kamer is goedgekeurd. Daarmee is de zaak juridisch stevig beklonken. En met de gevolgen daarvan zullen we de komende jaren nog herhaaldelijk geconfronteerd worden.’

Dat wil uiteraard niet zeggen dat de vakbonden hun strijd om een betere pensioenregeling voor de beoefenaars van zware beroepen hebben opgegeven. Struijs: ‘Nee, natuurlijk niet! Ook de NPB zal zich daarvoor met volle overtuiging blijven inzetten, net als voor de terugkeer van een vorm van Functioneel Leeftijdsontslag (FLO).’

Extra opbouw Keuzepensioen

Voor alle duidelijkheid: de verhoging van de pensioenrichtleeftijd betekent niet dat iedereen vanaf 1 januari 2018 tot 68 jaar moet doorwerken. Struijs: ‘De pensioenregeling van het ABP geeft deelnemers de keuze om een aantal jaren eerder dan op de AOW/pensioen-gerechtigde leeftijd te stoppen met werken (Keuzepensioen). Dat betekent dat je opgebouwde pensioenkapitaal eerder wordt  aangesproken, maar wat veel collega’s zich niet realiseren is dat ze bij het ABP sinds 2006 ook extra kapitaal zijn gaan opbouwen om deze optie zo aantrekkelijk mogelijk te maken. Dus ik zou iedereen adviseren: informeer bij ABP naar jouw individuele pensioenopties. Die zouden kunnen meevallen!’

AOW-gerechtigde leeftijd

Volledigheidshalve: hoe zit het met de AOW-gerechtigde leeftijd?  Zoals bekend stijgt die leeftijd tot 2021 stapsgewijs naar 67 jaar. Daarna treedt voor het eerst de wettelijke koppeling aan de levensverwachting in werking. Inmiddels is duidelijk dat op basis van de CBS-ramingen de AOW-gerechtigde leeftijd in 2022 zal stijgen naar 67 jaar en drie maanden. Gezien de ontwikkeling van de levensverwachting zijn daarna nog zeker drie jaarlijkse verhogingen met een kwartaal te verwachten. De AOW-leeftijd zal dan in 2025 68 jaar zijn.

Pensioenkamer

Terug naar de onderhandelingen over de aanpassingen van de ABP-pensioenregeling. Die zijn gevoerd door vertegenwoordigers van het bestuur van het pensioenfonds, de gezamenlijke overheidswerkgevers en de overheidswerknemers (de Samenwerkende Centrales voor het Overheidspersoneel oftewel SCO). De bijeenkomsten van deze onderhandelaars worden ook wel ‘de Pensioenkamer’ van de Raad voor het overheidspersoneelsbeleid (ROP) genoemd. Als FNV-bond was de NPB in dit pensioenoverleg op het hoogste niveau vertegenwoordigd door deskundigen namens de ACOP – de Algemene Centrale voor Overheidspersoneel.

Uitvoerbaarheid

Struijs: ‘Naar mijn idee zijn onze onderhandelaars er behoorlijk in geslaagd van de nood een deugd te maken. Het was namelijk al enige tijd duidelijk dat de pensioenregeling van ABP door de vele wijzigingen in de loop der jaren erg ingewikkeld was geworden. Zowel het pensioenfonds zelf als De Nederlandse Bank (de wettelijk aangewezen toezichthouder) hadden ervoor gewaarschuwd dat de regeling als dat zo doorging onuitvoerbaar dreigde te worden. De inzet van onze onderhandelaars was dan ook de gevolgen van verhoging van de pensioenrichtleeftijd te benutten om de regeling eenvoudiger te maken en te verbeteren.’

Premieverlaging

Een verhoging van de pensioenrichtleeftijd leidt ertoe dat deelnemers langer moeten wachten voordat ze hun pensioenkapitaal kunnen aanspreken. Aan de andere kant ontstaat daardoor de mogelijkheid om per jaar minder premie in te leggen en toch op hetzelfde pensioenkapitaal uit te komen. Dat laatste is uiteraard een keuze die vooral gunstig uitpakt voor de werkgever (die immers 70 procent van de premie betaalt). Zoals te verwachten was de inzet van de overheid dan ook dat de ‘vrijvallende’ pensioenpremie (1,2 procentpunt) volledig zou terugvallen aan de werknemers en (vooral) aan de werkgever (= de overheid).

Verbeteringen

De onderhandelaars namens het overheidspersoneel hebben echter voor elkaar gekregen dat een deel van het geld opnieuw wordt geïnvesteerd in de pensioenvoorzieningen. Om te beginnen wordt de opbouw van nabestaandenpensioen vanaf 1 januari 2018 verhoogd naar 70 procent voor alle deelnemers. Een terugkeer naar de situatie voor 2005. In dat jaar werd de opbouw voor deelnemers onder de 65 jaar namelijk verlaagd van zeventig naar vijftig procent van het ouderdomspensioen.

Bovendien wordt overgestapt op volledige kapitaaldekking. Dit betekent niet alleen dat je de opgebouwde rechten kunt ‘meenemen’ naar een ander pensioenfonds, maar ook dat het kapitaal desgewenst uit te ruilen is voor een hoger ouderdomspensioen. Is een nabestaandenpensioen eenmaal ingegaan, dan wordt het niet meer verlaagd als de partner hertrouwt. Deze wijziging geldt ook voor mensen die al een nabestaandenuitkering hebben.

Ook het wezenpensioen wordt verbeterd. Bestaande gevallen blijven tot hun 21-ste tien procent van het ouderdomspensioen uitgekeerd krijgen; nieuwe gevallen krijgen vanaf 1 januari 2018 direct veertien procent met een maximale looptijd tot 25 jaar.

De salarisgegevens worden vanaf 2022 maandelijks in plaats van jaarlijks aangeleverd, opdat salarisverhogingen eerder doorwerken in de pensioenopbouw. Tot slot zijn vereenvoudigingen afgesproken bij het doortellen van de pensioenopbouw tijdens werkloosheid en bij het vaststellen van de hoogte van het arbeidsongeschiktheidspensioen.

Afschaffing ANW-compensatie

Struijs: 'Het enige echte pijnpunt in het onderhandelaarsakkoord is eigenlijk de afschaffing van de zogenaamde ANW-compensatie voor nieuwe gevallen vanaf 1 januari 2018. Anno 2017 krijgen achtergebleven partners van ambtenaren tot hun eigen AOW-gerechtigde leeftijd naast hun nabestaandenpensioen vaak ook nog een aanvullende uitkering, de Algemene Nabestaandenwet- of ANW-compensatie. Deze compensatie wordt aan nabestaanden tot 39 jaar maximaal één jaar uitgekeerd. Oudere nabestaanden krijgen de uitkering jaarlijks tot aan de eigen AOW-/pensioengerechtigde leeftijd.

Door het verhogen van de opbouw van het nabestaandenpensioen naar 70 procent voor alle deelnemers is er vanaf 2018 helaas geen fiscale ruimte meer om deze compensatie te kunnen handhaven. Bij de meeste achterblijvende partners van collega’s zal dit verlies worden goedgemaakt door het opgebouwde hogere nabestaandenpensioen. Dat geldt echter niet voor de partners van ABP-deelnemers die nu veertig jaar of ouder zijn; zij lopen na het afschaffen van de ANW-compensatie het risico op een flink financieel nadeel als hun wederhelft voor zijn AOW-/pensioengerechtigde leeftijd komt te overlijden. De afweging die de bonden dus moeten maken is of de afgesproken gunstige aanpassingen van de collectieve pensioenregeling opwegen tegen het risico op fors individueel financieel nadeel voor een groep nabestaanden.'

Premiestijging afgevlakt

Op basis van de afspraken in het onderhandelaarsakkoord zal de aangekondigde stijging van de pensioenpremie vanaf 1 januari 2018 beperkt blijven tot 1,4 procentpunt in plaats van 2,2 procentpunt. Zoals bekend komt daarvan 70 procent (in dit geval dus 0,98 procent) voor rekening van de werkgever.

Het is de bedoeling dat de ambtenarenbonden voor 1 augustus laten weten of ze akkoord gaan met het onderhandelaarsakkoord. Zodra de bondsraad tot een oordeel is gekomen, melden we dat uiteraard!

 

Terug