Wat heeft het pensioenakkoord te bieden op vroegpensioengebied?

In het landelijk pensioenakkoord is afgesproken dat de overheid de werkgevers en de vakbonden weer fiscaal gaat ondersteunen bij het financieel mogelijk maken van cao-afspraken over vervroegde uittreding. Als eerste stap op die weg zijn in het pensioenakkoord drie afspraken vastgelegd over mogelijke bouwstenen voor nieuwe structurele vroegpensioenregelingen.

  • Het aantal uren dat werknemers belastingvrij verlof mogen opsparen wordt verdubbeld van 50 naar 100 weken. Wordt deze optie optimaal benut, dan kunnen werknemers ruim twee jaar voor hun AOW-leeftijd stoppen met werken.
  • Er wordt onderzocht op welke manier(en) werknemers na 45 gewerkte jaren aanspraak kunnen krijgen op een AOW-uitkering (‘flexibele AOW’). Dit kan een belangrijke bijdrage zijn aan het financieel mogelijk maken van vervroegde uittreding.
  • Ook wordt uitgezocht in hoeverre het mogelijk is om toeslagen voor bijvoorbeeld onregelmatigheid en overwerk om te zetten in individuele vrijwillige pensioenopbouw.

Deze en andere fiscale bouwstenen voor nieuwe CAO-afspraken over vervroegde uittreding worden de komende tijd op landelijk niveau nader uitgewerkt. Dat zou ertoe kunnen leiden dat de huidige zestigplussers buiten de boot vallen. Om hen tegemoet te komen is in het pensioenakkoord een extra fiscale maatregel opgenomen, die de werkgevers en de bonden tijdelijk kunnen gebruiken om voor deze groep werknemers een overgangsregeling op vroegpensioengebied af te spreken.

  • Van 2021 tot en met 2025 versoepelt de overheid de fiscale boete van 52 procent op uitkeringen vanwege vervroegde uittreding – de zogenaamde RVU-heffing. In die vijf jaar kunnen werkgevers medewerkers drie jaar maximaal € 19.000 bruto per jaar uitbetalen als inkomen bij vervroegde uittreding zonder de RVU-heffing opgelegd te krijgen. Deze tijdelijke vrijstelling wordt alleen toegekend voor de drie jaar voordat een werknemer de AOW-leeftijd bereikt.

Meer over:
Vroegpensioen