Waarom zijn de bonden akkoord gegaan met het afschaffen van de dagcomponent?

Het recht op deze onkostenvergoeding (anno 2018 € 4,95) is al jarenlang een bron van veel discussie. Tot op heden declareren sommige collega’s na elke reis standaard de dagcomponent. Dat is niet de bedoeling van de gemaakte afspraak.

De dagcomponent is namelijk uitsluitend bedoeld als vergoeding van kleine uitgaven tijdens dienstreizen, waarbij aannemelijk moet zijn dat deze kosten daadwerkelijk zijn gemaakt. In de praktijk schiet de regeling dus vaak haar doel voorbij; bij het automatisch declareren van kosten komt het regelmatig voor dat die niet gemaakt zijn.

De werkgever is het afgelopen jaar gestart met het stringenter controleren op deze voorwaarden, met al meerdere conflicten en procedures als gevolg. Een eerste rechter heeft inmiddels geoordeeld dat reizen tijdens het werk vaak tot de functie behoort en dan geen dienstreis is. Ook accepteert de rechter niet dat bij elke dienstreis ‘vanzelfsprekend’ bepaalde onkosten worden gemaakt. Of dat wel of niet gebeurt hangt in hoge mate samen met de duur en het tijdstip van de reis – en zal dus keer op keer moeten worden aangetoond.

Kortom, het was duidelijk dat de dagcomponent steeds verder onder druk zou komen te staan. Van een haast automatische toekenning zou sowieso geen sprake meer zijn. Voor alle duidelijkheid: het gaat daarbij dus om regels die altijd al bestonden en die collega’s bij het declareren zouden moeten eerbiedigen. Klakkeloos declareren in weerwil van de regels zou zelfs kunnen worden gezien als plichtsverzuim.

In dat licht is er uiteindelijk voor gekozen om de dagcomponent te laten vervallen in ruil voor een aantal gunstige afspraken over reiskosten. Zoals bijvoorbeeld de verhoging van de tegemoetkoming in de reiskosten van woon-werkverkeer met eigen vervoer en een hogere tegemoetkoming bij dienstreizen met eigen vervoer vanaf huis.

Meer over:
CAO 2018